Op 26 januari jl. werd de verzamelwet van 18 januari 2024 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Deze wet omvat een reeks bepalingen die cruciale wijzigingen en/of nieuwigheden aanbrengen aan het Strafwetboek en het Wetboek van Strafvordering. Het gros van de bepalingen treedt in werking op 5 februari 2024.
Hieronder volgt een overzicht van de voornaamste nieuwigheden voor de penalist.
Met een wijziging aan het bestaande art. 28bis Sv., dat handelt over het opsporingsonderzoek, wenst de wetgever duidelijkheid te scheppen over de precieze draagwijdte van de onderzoeksverplichting die op de procureur des Konings rust.
Aanleiding hiervoor was een arrest van het Grondwettelijk Hof, waarin werd geoordeeld dat de procureur des Konings niet is onderworpen aan een wettelijke verplichting om een onderzoek à charge en à décharge te voeren.
Nochtans was het vaste cassatierechtspraak dat het vermoeden van loyaliteit van het Openbaar Ministerie inhoudt dat alle door het parket verzamelde gegevens bij het strafdossier worden ingevoegd, inzonderheid de gegevens à décharge. Dit werd tevens bevestigd door de rechtsleer.
Teneinde de enge visie van het Grondwettelijk Hof over de opdracht van het OM weg te werken, zal art. 28bis Sv. dus expliciet bepalen dat het opsporingsonderzoek à charge en à décharge wordt gevoerd.
Goederen die geen vermogensvoordeel uitmaken in de zin van art. 42, 3 ° Sw. kunnen voortaan in beslag worden genomen overeenkomstig de vormvoorschriften van art. 35bis Sv. De procedure zoals omschreven in dat laatste artikel zal dus gelden ingeval de wet heeft bepaald dat de verbeurdverklaring van goederen die hebben gediend of bestemd waren voor het plegen van het misdrijf, mogelijk is.
Art. 43 Sv. creëert de mogelijkheid voor de procureur des Konings om in een zo vroeg mogelijk stadium van de procedure een psychologisch deskundigenonderzoek te vorderen. Deze wijziging kadert in het belang van vroegdetectie en risicotaxatie.
Dergelijk deskundigenonderzoek kan inzicht geven in de verdachte, zijn of haar handelen, het gevaar, hoe dat te ondervangen en de nood aan behandeling. Het geeft de rechter ook handvaten om een adequate straf of maatregel op te leggen.
In tegenstelling tot het psychiatrisch deskundigenonderzoek in het kader van de Interneringswet, kan het onderzoek worden bevolen voor alle misdrijven. Het wetsontwerp voorziet verder in bepaalde kwaliteitsvereisten van het onderzoek en waarborgen inzake tegensprekelijkheid.
De correctionele rechtbanken en de hoven van beroep zullen binnenkort over de mogelijkheid beschikken om bij wijze van alternatief voor een bestraffing een zgn. hersteltraject op te leggen. Deze nieuwe bepalingen vormen een veruiterlijking van de restorative justice theorie.
Een dergelijk hersteltraject komt erop neer dat de beklaagde gedurende een periode wordt opgevolgd en waarin hem een behandeling of bijkomende maatregelen worden voorgesteld om onderliggende problemen (bv. agressieproblemen, verslaving etc.) aan te pakken en om zo recidive te verminderen.
De hersteltrajecten vormen volgens de wetgever een alternatief voor de probatiestraffen, die in de praktijk pas maanden na de uitspraak ten uitvoer worden gelegd en waardoor herstel en begeleiding dus lang op zich laten wachten. Het voordeel van het hersteltraject is dat onmiddellijk kan worden gereageerd op het misdrijf, nog voor de uitspraak van veroordeling.
Indien er in de rechtbank gespecialiseerde kamers zijn ingericht, zullen de zaken waarin sprake is van een verslavings-,agressie- of psychosociale problematiek en waarvoor een hersteltraject mogelijk is, door die betrokken kamer worden behandeld:
Kenmerkend voor een deelname aan het hersteltraject is de vrijwilligheid. De beklaagde zal zijn schriftelijke toestemming moeten verlenen via een speciaal document.
De rechtbank kan het hersteltraject enkel opleggen indien aan een reeks cumulatieve voorwaarden is voldaan:
Het hersteltraject wordt opgesteld door een dienst van de gemeenschappen, in samenwerking met de beklaagde. Op een oriëntatiezitting zal de beklaagde het voorgelegde hersteltraject al dan niet aanvaarden en eventuele voorstellen tot aanpassing doen. De zaak zal vervolgens worden uitgesteld voor verdere opvolging. Deze opvolgingszittingen vinden plaats telkens wanneer de rechter het aangewezen acht én uiterlijk een maand na de oriëntatiezitting.
Indien het hersteltraject niet wordt opgevolgd, beslist de rechtbank tot stopzetting en zal het de zaak op een klassieke wijze behandelen. De duur van de opvolging is beperkt tot één jaar, maar kan mits gemotiveerde beslissing verlengd worden met maximaal 6 maanden. Uiterlijk 18 maanden na het opstarten van het hersteltraject vindt de behandeling van de zaak plaats.
Het hersteltraject kan m.i. niet echt als een volwaardig alternatief voor de straf worden beschouwd, daar de rechter bij de behandeling van de zaak nog steeds de op het misdrijf voorziene straf kan opleggen. Het is evenmin een vorm van buitengerechtelijke afhandeling van het geschil, vermits de zaak nog steeds voor de rechter wordt afgehandeld. Positief is wel dat de rechter in zijn uitspraak rekening moet houden met het gevolgde hersteltraject, zodat de verdediging ingeval van een succesvol afgelegd parcours een milde bestraffing of een loutere schuldigverklaring (opschorting van uitspraak van veroordeling) kan verzoeken.
De bepalingen van het hersteltraject traden reeds in werking op 26 januari 2024.
Met een wijziging van art. 278 Sv. wordt tegemoetgekomen aan de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, dat tot een schending besloot omdat geen voorziening in cassatie kon worden ingesteld tegen de weigering van de assisenvoorzitter om bepaalde personen niet op te nemen op de lijst van getuigen, terwijl dat voor een andere vonnisrechter wel mogelijk was. Er zal dus worden voorzien in een uitgesteld cassatieberoep.
In navolging van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof wordt het onmiddellijk cassatieberoep tegen de beslissing tot uithandengeving van de minderjarige terug ingevoerd. Die onmogelijkheid schond volgens het Hof de rechten van de minderjarige op onevenredige wijze. Er zal dus niet langer moeten worden gewacht op een eindbeslissing.
Ter vervanging van de oude procedure voor onmiddellijke verschijning, heeft de wetgever voorzien in een snelrechtprocedure in art. 216quinquies Sv. De bedoeling van deze procedure is dat magistraten sneller kunnen reageren op misdrijven die het gevoel van de openbare veiligheid verstoren.
Deze procedure is van toepassing op aangehoudene personen, die de procureur des Konings kan oproepen voor de politierechtbank of de correctionele rechtbank. Dit is enkel mogelijk indien de onderzoeksrechter van oordeel is dat het gerechtelijk onderzoek volledig is en hij het dossier heeft meegedeeld.
De aangehoudene moet zijn akkoord verlenen in aanwezigheid van de advocaat, voor de onderzoeksrechter. Hij acteert het akkoord in een proces-verbaal.
De snelrechtprocedure zal kunnen worden toegepast in eenvoudige zaken, i.e. zaken waarin de dader en het slachtoffer, alsook de schade bekend zijn.
De autonome probatiestraf zal niet langer enkel uit bijzondere voorwaarden bestaan die door de probatiecommissie moeten worden bepaald, maar zal tevens gepaard gaan met de verplichting om algemene voorwaarden na te leven. Dit naar analogie met het voorstel van de Commissie tot hervorming van het strafrecht.
Aangezien er vandaag onduidelijkheid bestaat over het concrete aanvangspunt van de autonome probatiestraf, wordt bepaald dat deze aanvang op het ogenblik dat de uitspraak in kracht van gewijsde treedt. Vanaf dan zullen dus de algemene voorwaarden reeds moeten worden nageleefd.
De wetgever heeft voorzien in (verplichte) strafverzwaringen ter bescherming van politieambtenaren en andere beroepsgroepen.
Onder de bepalingen inzake weerspannigheid worden een nieuw artikel 271bis en 272bis Sw. ingevoerd, die voorzien in strafverzwaring wanneer de weerspannigheid heeft geleid tot arbeidsongeschiktheid:
Doodslag, foltering of onmenselijke behandeling dat wordt gepleegd ten aanzien van ministers, leden van de wetgevend kamers en dragers van het openbaar gezag of de openbare macht, levert een verzwarende omstandigheid op:
Verder wordt er een nieuw art. 393bis Sw. ingevoerd, waarin doodslag op diverse beroepsgroepen met een maatschappelijke functie (chauffeurs, controleurs of loketbediendes van openbaar vervoer, leden van het veiligheidspersoneel van de FOD Justitie, postbodes, brandweermannen, maatschappelijke werkers, gezondheidspersoneel, onthaalmedewerkers van de politie, personeel van spoeddiensten, journalisten, advocaten, notarissen en gerechtsdeurwaarders), gestraft wordt met levenslange opsluiting, indien het feit gepleegd wordt nar aanleiding of in de uitoefening van hun functie.
Het opzettelijk overgooien van voorwerpen over de muren van de gevangenis wordt strafbaar gesteld in art. 337bis Sw. De straf is een gevangenisstraf van 15 dagen tot een jaar en een geldboete van 50 tot 500 euro.
De strafrechter zal vanaf heden bij het bepalen van de straf voor bepaalde misdrijven verplicht rekening moeten houden met het feit dat deze gepleegd werden in het bijzijn van minderjarigen. Het betreft m.a.w. een verzwarende factor. De verzwarende factor geldt bij doodslag, slagen en verwondingen in het kader van intrafamiliaal geweld, onmenselijke behandeling en belaging.
Tot slot voert de wetgever een drietal nieuwe misdrijven in, die betrekking hebben op het vervoer van wapens, nl.:
Er wordt tevens in een strafverzwaring voorzien voor zij die van het uitrusten met deze niet-fabriekseigen ruimtes hun beroep of gewoonte maken.
In navolging van rechtspraak van het Grondwettelijk Hof zal naar analogie met de regeling in de Wet betreffende het Europees Onderzoeksbevel worden voorzien in een rechtsmiddel dat kan worden ingesteld ingeval van inbeslagneming van bewijsstukken op grond van een verzoek tot wederzijdse rechtshulp, dat uitgaat van een staat die geen lid is van de EU. Dit rechtsmiddel zal een controle mogelijk maken van de inachtneming van de voorwaarden van de wet van 9 december 2004. Indien niet werd voldaan aan de voorwaarden, zal ook een beslissing tot opheffing van de inbeslagneming kunnen worden verkregen.
Child Focus zal de bevoegdheid verkrijgen om in eigen naam of in naam van slachtoffers een rechtsvordering in te stellen ingeval van seksuele uitbuiting van minderjarigen en afbeeldingen van seksueel misbruik van minderjarigen.
De Wet Voorlopige Hechtenis wordt aangepast met betrekking tot de
voorwaarden voor de vrijlating van verdachten. Momenteel kunnen voorwaarden tot maximaal 3 maanden worden opgelegd en verlengd, maar als dit niet tijdig gebeurt, vervallen de voorwaarden. De wetswijziging bepaalt nu dat de voorwaarden gehandhaafd blijven tot de definitieve beslissing of een eerdere beslissing die een einde maakt aan de vervolging. De raadkamer kan bij doorverwijzing naar de rechtbank beslissen over het behoud of wijziging van voorwaarden. Na het gerechtelijk onderzoek kan het vonnisgerecht, op vordering van de procureur des Konings of op verzoek van de verdachte, voorwaarden wijzigen, opheffen of vrijstelling verlenen.
Deze wijzigingen zijn van toepassing op voorwaarden die op 5 februari 2024 lopende zijn, na beoordeling door de betrokken rechter.
De inhoud van deze bijdrage is auteursrechtelijk beschermd. Reproductie ervan zonder vermelding van de naam van de auteur is verboden.